Recensie


De Nederlandse Aardgastransitie


Lessen voor de energietransitie van de 21ste eeuw

Voor wie huiverig is voor het woord “energietransitie”: dit is niet de eerste keer dat we voor een dergelijke opgave staan. Auteur Sven Ringelberg gooit hem er gelijk in: de energietransitie waar we nu tegenaan hikken, is niet de eerste energietransitie. De vorige keer was circa 60 jaar geleden, toen aardgas als energiebron voor huishouden en industrie werd geïntroduceerd.

Het is ook niet de eerste energiecrisis. Al in 1600 was er, door een tekort aan hout om te stoken en als constructiemateriaal, in Europa een energiecrisis. In landen om ons heen werd die opgelost door over te stappen op het stoken van steenkool. In Nederland werd, door de ruime beschikbaarheid en de mogelijkheid van (goedkoper) vervoer over water in eerste instantie vooral ingezet op turf als brandstof. Door het afgraven van al dat hoogveen veranderde het Nederlandse landschap behoorlijk: veel kanalen en lintdorpen danken hun bestaan aan de veenwinning, en zelfs hele dorpen werden ervoor verplaatst.

Van turf naar steenkool Tussen 1850 en 1900 was het winnen van turf niet zo makkelijk meer en werd om aan de vraag naar energie te voldoen langzaam omgeschakeld naar steenkool, vooral voor de industrie. In huishoudens werd nog lang gebruik gemaakt van turf om woningen te verwarmen en om te koken. In het noorden van Nederland, in de gebieden waar de meeste turf gewonnen werd, nog het langst, tot ver in de 20e eeuw.

Dat omschakelen van turf naar steenkool – een tweede energietransitie – was zo makkelijk nog niet. In Nederland zelf werd tot in de 19e eeuw maar een kleine hoeveelheid steenkool gewonnen, en de verbinding met het Duitse Ruhrgebied was matig. Tegelijkertijd werd door de industrialisatie de vraag naar steenkool groter. De steenkoolmijnen in Zuid-Limburg waren de volgende belangrijkste eigen energiebron voor Nederland, totdat in de jaren 60 van de twintigste eeuw het aardgas zijn intrede deed: energietransitie nummer drie.

Beeld: Turfwinning in Oost-Europa, Shutterstock

Complexiteit neemt toe Met elke transitie nam de complexiteit toe, niet alleen vanwege het toegenomen aantal huishoudens en industrieën dat gebruik wenste te maken van de nieuwe energiebron, maar ook door de vorm, de winningslocatie, het transport en de distributie. Naast het verbruik van steenkool voor verwarming, koken, elektriciteitsopwekking en industrie nam in de 20e eeuw ook het belang van aardolie toe. In Nederland werd al in 1924 aardgas ontdekt, maar dat werd toen eigenlijk gezien als een mislukking, aangezien men liever aardolie of steenkool had aangeboord. Pas in 1953 begon de opmars van het aardgas, zij het nog maar mondjesmaat. Ook toen nog werd aardgas vooral gezien als een bijproduct van de olie- en steenkoolexploitatie.

Politiek en commercie Dat in 1959 in Slochteren een grote hoeveelheid aardgas gevonden werd, is inmiddels algemeen bekend, maar destijds werd die vondst gedurende een jaar angstvallig stilgehouden, zowel door de NAM, die de vondst had gedaan, als door de Nederlandse overheid. De NAM wilde haar concurrenten voor blijven, de staat wilde een slag om de arm houden omdat aardgasvondsten in bijvoorbeeld Frankrijk flink tegen waren gevallen. Uiteindelijk werd in 1962 de “Nota inzake het aardgas” gepresenteerd. Saillant detail: in die nota werd er nog vanuit gegaan, dat aardgas geen al te grote concurrent voor steenkool zou zijn en dat aardgas uiteindelijk plaats zou maken voor kernenergie. In de nota van 1962 werd uitgegaan van de mogelijkheid om de gasvelden in Groningen gedurende circa 30 jaar uit te kunnen baten. Inmiddels is wel duidelijk, dat we ruim over die termijn heen gegaan zijn, maar is ook de uitfasering van binnenlandse aardgaswinning ingezet. Of dat uiteindelijk toch leidt tot extra kernenergie, valt nog te bezien.


In 1962 dacht men, dat aardgas geen grote concurrentie voor steenkool zou vormen


Kachels en haarden Voordat aardgas algemeen beschikbaar werd voor Nederlandse huishoudens, beschikte maar 5 procent van de woningen over centrale verwarming. De meeste huizen werden verwarmd met kolenkachels en oliekachels (sinds de jaren 1950). Daarnaast werd soms gebruik gemaakt van elektrische straalkachel. Meestal werd maar één ruimte in de woning verwarmd. Dat was niet alleen, omdat er maar één kachel was, maar ook omdat het stoken van zo’n kolenkachel een hoop werk en vuil gaf. Gaskachels (op stadsgas) en oliekachels waren vooral bij huishoudens met een hoger inkomen gebruikelijk. Tussen 1960 en 1964 werden veel woningwetwoningen met centrale verwarming gebouwd, meestal een oliegestookte blok- of wijkverwarming, maar ook “aardgas-ready”. Stadsgas In veel gemeenten werd al ver voor de komst van het aardgas stadsgas geleverd, vooral voor verlichting. Hiervoor werd in gasfabrieken steenkool omgezet tot gas, dat via lokale leidingstelsels bij de verbruikers werd gedistribueerd. Gebruikers van dit gaslicht waren in eerste instantie vooral openbare verlichting, industrie en rijkere huishoudens. Tussen 1900 en 1920 nam het aantal stadsgasaansluitingen fors toe, tot uiteindelijk meer dan 700.000 huishoudens. Omdat niet iedereen het zich kon permitteren een hoge gasrekening te hebben, was prepaid stadsgas mogelijk: door in een speciale gasmuntmeter een gasmunt te gooien, kon een vooraf bepaalde hoeveelheid gas worden verbruikt. In de loop der tijd werd het stadsgas niet alleen voor verlichting, maar ook voor koken, verwarming en warm water gebruikt.

Elektriciteit Een volgende stap in energieverbruik was de introductie van elektriciteit. Ook dat werd als eerste voor verlichting van openbare ruimte, fabrieken en rijkere huishoudens gebruikt. In de Eerste Wereldoorlog werd steenkool schaars, waardoor het stadsgas duurder werd. Daarom werd voor verlichting vooral elektriciteit ingezet, voor verwarming vaste brandstoffen en werd stadsgas voornamelijk gebruikt om op te koken. Ook in de Tweede Wereldoorlog werd de aanvoer van steenkool beperkt en was petroleum niet leverbaar.

Beeld: Koken op gas, Shutterstock

Koken op gas In tegenstelling tot wat de term “stadsgas” doet vermoeden, werd dat gas niet alleen in de stad gebruikt. Na de Tweede Wereldoorlog was de keuze tussen energiedragers beperkt: gas of elektriciteit. Ook kleinere dorpen en het platteland kregen de beschikking over stadsgas, waardoor in 1949 al twee-derde van de huishoudens op gas kookte. Interessant weetje: stadsgas bestond voor ongeveer de helft uit waterstof, en waterstof is dus eigenlijk al veel langer gebruikt in Nederlandse huishoudens dan aardgas.

Gespreid bedje Doordat zoveel huishoudens al een aansluiting op het stadsgas hadden, was de overgang naar aardgas appeltje-eitje, toch? Niet helemaal. Want behalve de gasbelangen, waren ook de kolenbranche en de stookolielobby betrokken, en wilde men het gas voor kleinverbruikers die het alleen voor koken en het verwarmen van warm tapwater zouden gebruiken, fors duurder maken dan voor verbruikers die het ook voor centrale verwarming zouden gaan gebruiken. Na uitgebreid onderhandelen was het aardgas voor de kleinverbruiker tot 60 m3 per jaar nog steeds minder rendabel ten opzichte van andere brandstoffen, maar daarboven leverde het alleen maar besparingen op. Centrale verwarming Nu had vrijwel iedereen in Nederland wel een aardgasaansluiting, maar nog lang niet iedereen kon het zich veroorloven om ook centrale verwarming aan te leggen, om daarmee optimaal gebruik te kunnen maken van dat goedkope aardgas. De investering die gemoeid was met het aanleggen van een cv-installatie kostte, omgerekend naar het huidige prijspeil, tussen de 7.000 en 14.150 euro. Een bedrag dat tegenwoordig zo maar uitgegeven kan worden aan het bijna-energie-neutraal maken van een bestaande woning.


Niet alleen de hoge investeringen vormen een parallel tussen de aardgastransitie en de huidige energietransitie


Parallellen De investeringen op het niveau van individuele huishoudens zijn niet de enige parallel tussen de huidige energietransitie, van het aardgas af, en die van 60 jaar geleden, naar het aardgas toe. Ook investeringen aan het gasnet, dat van lokale stadsgasnetten overging naar een landelijk aardgasnet; het (om-)scholen van installateurs die met nieuwe techniek overweg moesten kunnen, marketingcampagnes om de nieuwe aanpak te laten wortelen bij de gebruikers en de discussies over wie de kosten moet dragen. Al lijkt er tegenwoordig toch meer aandacht voor de draagkracht van de lagere inkomens te zijn. Eén-op-één naar waterstof? Dat gasnet ligt er al, kunnen we dat niet eenvoudig ombouwen naar waterstof, net zoals het van stadsgas naar aardgas is gebeurd? Jammer genoeg is dat niet zo eenvoudig als het lijkt. Stadsgas bevatte weliswaar een groot aandeel waterstof, maar waterstof bevat per m3 drie keer minder energie dan aardgas. Om dezelfde pan water te laten koken, moet dus drie keer zoveel waterstof als aardgas door de leiding (en de meter) stromen. Of het leidingnet en de meters dat aankunnen, is nog maar de vraag. En waar bij aanvang van de aardgastransitie in de zestiger jaren vooral kooktoestellen moesten worden aangepast, moeten nu bij de meeste huishoudens cv-ketels compleet worden vervangen wanneer er voortaan op waterstof zou moeten worden gestookt. Wat heeft aardgas ons gebracht (en willen we dat inleveren) De conclusie van het boek moet wel zijn, dat een energietransitie in eerste instantie altijd investeringen vergt. Maar in het geval van de transitie van steenkool + stookolie + stadsgas naar aardgas heeft het niet alleen de Nederlandse staatskas uiteindelijk een hoop geld opgeleverd, het heeft de Nederlandse huishoudens ook een comfortabel verwarmde woning, een bijna onbeperkte hoeveelheid warm tapwater en een schone manier van koken en verwarmen gegeven. En kasgroenten – zonder aardgas hadden we ’s winters geen tomaten uit het Westland kunnen eten.

Wat:

  • Titel: “De Nederlandse aardgastransitie – Lessen voor de energietransitie van de 21ste eeuw”
  • Auteur: Sven Ringelberg
  • Uitgever: Eburon Academic Publishers
  • ISBN: 9789463013284

Voor wie:

Voor iedereen die geïnteresseerd is in energietransitie en voor wie meer wil weten over het gebruik van energiebronnen in Nederland van de middeleeuwen tot nu.

Waarom lezen:

Eens niet de nadruk op alleen nieuwe technologieën, maar een goed doortimmerde onderbouwing vanuit het Nederlandse verleden. Met hier en daar grappige inzichten en anekdotes, en een goede documentatie van de politieke invloed op het energiebeleid door de jaren heen.