Beesten in de bouw

van apekont tot steunbeer

Er zijn nogal wat dieren verwerkt in gevels en daken. Gelukkig niet letterlijk, en lang niet alle namen worden nog dagelijks gebruikt. Sommige zijn voor elke bouwkundige herkenbaar en andere zou men bij renovatie van monumentale panden nog tegen kunnen komen. Een lijst van beestachtige bouwtermen die voorkomen in gevel en dak.

Apekont

Kwartbolvormige eindvorst voor nokafwerking, vooral van rieten daken. Meestal keramisch, maar ook van metaal.

Beverstaarttegel

In Duitsland bekend als Biberschwanz. Een vlakke daktegel, aan de onderzijde afgerond en schubvormig gedekt. Keramisch, lei, kunstlei of metaal.

Bijenbekje®

Stootvoegrooster van rvs, van BB Hoogeveen, waarmee voorkomen wordt dat ongedierte in de spouw kan dringen maar de spouw via de open stootvoegen wel geventileerd kan worden.

Duifsteen

Een oude benaming voor tufsteen, een natuursteen uit vulkanische as en steensplinters (afzettingsgesteente).

Duivenjager

Ingesnoerd kwartrond profiel aan de rechte hoeken van houten kozijnen en balken.

Ezelsrug

gemetselde, afwaterende beëindiging van gevelvlakken en muren. Stenen worden staand verwerkt, meestal onder een hoek van 45°, vanaf beide zijden van de muur.

Frog-steen

Keramische baksteen met uitsparing of uitholling in het platte vlak. Door een uitstulping in de vormbak krijgt de baksteen een uitholling. Door de uitholling wordt een betere hechting tussen baksteen en specie verkregen en wordt klei bespaard bij de productie.

Hanebalken

Horizontale balk tussen twee sporen die tegenover elkaar staan. Vaak zijn er meerdere hanenbalken boven elkaar.

Hanenkam

Strek waarvan de bovenzijde een cirkelsegment is, of een taps toelopende rollaag boven een gevelopening waarbij het midden van de streklaag duidelijk verhoogd is. De hanenkam fungeert daarbij als latei of ontlastingsboog.

Hengst, klisklezoor

Een over de lengte gehalveerde baksteen. In vaktaal ook “paardenlul” genoemd.

Kalf

Dwarsregel tussen deur en bovenlicht, of tussen onderste en bovenste glasvak in een raam. Ook een schuin verbindingsstuk in een balkgebint, tussen dakspoor en gewelfhout in een kapconstructie, in de driehoek tussen muurstijl, korbeel en sleutelstuk.

Koekoek

Lichtkooi, glazen raam of kap om licht van boven te laten vallen in een zolder, trappenhuis, cel of kelder.

Krabpleister

Bevat geen krab, maar is een dikke, minerale, waterwerende pleister, veelal op buitenmuren toegepast, waarvan de toplaag gedeeltelijk is weggekrabd. Hierdoor ontstaat een gelijkmatige, ruwe structuur.

Labrador

Niet alleen een hondenras, maar ook natuursteen uit Zuid-Noorwegen, grijsblauw of donker blauwgroen graniet, met grote veldspaatkristallen.

Muisrooster

Ook moprooster, ventilatierooster ter grootte van een strek of kop, voor ventilatie van spouw of kruipruimte. In aluminium, rvs, kunststof en gietijzer.

Muizentrapje

Vallende tand, het trapvormig verspringen van bakstenen in een bepaald wild of vrij metselverband.

Paardenlul – trilnaald,

Rond, ovaal of achthoekig raam. Ossenoog kan ook duiden op het pontilmerk, de ronde verdikking in het midden van een geblazen raam.

Muizentand

Lijst van bakstenen, bestaande uit een laag koppen, die uitkragend om en om iets uitgemetseld zijn, of onder een hoek van 45° uitsteken, zodat een reeks van tanden ontstaat.

Steunbeer

Muurversterking om de zijdelingse druk van op de muur neerkomende gewelven, luchtbogen of zware kapbalken op te vangen.