COLUMN


Het meisje en de zwavelstokjes


“Ik heb geen idee wat er verder gebeurt, ik zit daar nog steeds verstijfd van angst.”

Tekst: Margo van Voskuilen

Vroeger, thuis, hadden we een openhaard. In mijn herinnering brandde die in de winter in het weekend elke avond. Veel positieve herinneringen hangen aan dat haardvuur: tamme kastanjes poffen in de hete as; de heksenkring van gloeiende vonkjes rond het reliëf van de bel op de achterwand van de haard; Sinterklaasavonden met surprises en anijsmelk, warm gehouden voor het vuur; Oma die voorlas uit het boek ‘Kerstmis’ van Dick Bruna…

Jaren zeventig, doorzonwoning, paarse en okergele muren, in de voorkamer zwarte en oranje ribfluwelen zitelementen, Berber tapijt, groene onyx tafel. Een klein litteken in mijn wenkbrauw herinnert nog aan de scherpe tafelpunt, waarmee ik onzacht in aanraking kwam toen ik van een steigerend paard (de rug van jeugdvriend Arnold) geworpen werd. Halverwege de woonkamer die openhaard, met er tegenover de antieke, met mahoniehout gefineerde kuifkast. In de achterkamer een verlaagd plafond, een plantenbak met weelderig groeiende vingerplant en dracaena reflexa, en naast de haard een groot en vol boekenregaal met barmeubel en pick-upkast.

Het is weekend, waarschijnlijk zaterdagavond. Het is koud buiten en al donker. Ik - een jaar of acht, negen - zit met een boek genesteld op een van die oranje zitelementen, mijn rug naar het raam dat uitkijkt op de voortuin, waar de rijp op het gras zit. Mijn moeder steekt, zoals zo vaak, de openhaard aan. Ze legt er een paar houtblokken in, schenkt er een scheutje spiritus over.

Ik zit onmachtig en versteend op dat zachte ribfluweel, zie blauwe vlammen op plafond, parket en kuifkast, oranje vlammen om mijn moeder, en weet niet wat te doen. Mijn moeder rent door de keuken en de garage naar buiten, naar het grasveld voor en rolt zich in het koude natte gras. Mijn vader, die in de keuken bezig is, rent haar achterna en grijpt een wollen paardendeken uit de garage mee, wikkelt mams daarin en dooft daarmee de resterende vlammen.


“Halverwege de woonkamer die openhaard, met er tegenover de antieke, met mahoniehout gefineerde kuifkast.”

De spiritusdamp in de kamer is vanzelf uitgebrand, de openhaard brandt rustig, afgezien van mijn moeders haar en huid is er geen noemenswaardige schade en zelfs aan de kuifkast is niets te zien. Ik neem aan dat de huisarts wordt gebeld, dat mijn vader mijn moeders verwondingen verzorgt. Ik heb geen idee wat er verder gebeurt, ik zit daar nog steeds verstijfd van angst. Een klein scheutje brandspiritus met grote gevolgen. In de jaren erna wordt de keuken verbouwd. Omdat ik telkens schrik van de plof van het ontsteken van het gasfornuis, kiezen mijn ouders voor een keramische kookplaat en elektrische heteluchtoven. Het fonduestel met spiritusbrander wordt vervangen door een elektrische fonduepan. In de garage hangt een brandblusser. De openhaard brandt nog regelmatig, maar wordt door mams voortaan aangestoken met aanmaakblokjes en veiligheidslucifers. Het duurt jaren, voordat ik zelf een lucifer durf af te strijken. Bij een van mijn eerste werkgevers krijg ik de kans een bhv-cursus te doen. Dat reanimeren van een pop gaat prima, maar een vlam in de pan doven of een vuurbak doven met een brandblusser is best spannend. Toch doe ik het. Ik wil dat vuur onder controle krijgen, en daarmee mijn angst ervoor. Ik wil zeker weten dat wanneer de nood aan de vrouw is, ik niet verstijfd en machteloos zal toekijken. Dat werkt: niet lang na de training blus ik thuis eigenhandig een vlam in de pan en later ben ik bij een partijtje gourmetten op spiritusbranders degene die het brandende tafelkleed blust met een natte vaatdoek. Maar ik kies nog altijd voor de langere lucifers of een gasaansteker met lange nek om de kaarsen of de haard aan te steken.


"Ik wil zeker weten dat wanneer de nood aan de vrouw is, ik niet verstijfd en machteloos zal toekijken."